Racisme en voetbal, er is de laatste tijd heel wat om te doen geweest. In de tribunes stapelden de incidenten zich op. Teveel om ze alle te vermelden. Twee haalden de voorpagina’s van onze media. Enige dagen geleden was er ophef en verontwaardiging nadat een op sociale media circulerend filmpje toonde hoe Beerschot-fans antisemitische liederen zongen en ‘Sieg Heil’ riepen. Nog maar pas daarvoor klaagde Anderlecht-coach Vincent Kompany over het feit dat hij en zijn staf tijdens de uitwedstrijd op Club Brugge racistische beledigingen naar het hoofd geslingerd kregen. Na beide incidenten stak er een golf van verontwaardiging op.

Er zijn mensen die dit minimaliseren. Dat was bijvoorbeeld het geval van opiniemaker Dyab Abou Jahjah. Op Twitter (20 december) zette hij het contrast op scherp tussen de brede publieke afkeuring van racisme na de noodkreet van Kompany en het feit dat die brede afkeuring achterwege blijft bij racisme op de arbeidsmarkt of bij doden in een politiecel. De unanieme verontwaardiging, aldus Abou Jahjah, betekent niets: “Gewoon symbolisme. Not impressed”. “Omdat dit gratuit en goedkoop is”, aldus Abou Jahjah. “Je moet verdedigen wie verdediging nodig heeft”, vervolgde hij, “negeer de rest”. Om zijn punt te verduidelijken, voegde hij er nog aan toe: “Wat voetbalfans tegen vedetten in stadions roepen, is mijn laatste zorg”.

Structureel racisme

Dyab Abou Jahah heeft een punt wanneer hij stelt dat jammer genoeg geen unanieme verontwaardiging volgt na discriminatie op de arbeidsmarkt of bij een dode in een politiecel. Racisme op de arbeidsmarkt is structureel en gebeurt dagelijks. Doden in een politiecel vallen niet dagelijks te betreuren maar er is een probleem van racisme onder delen van onze politiekorpsen. Waar blijft de massale verontwaardiging? Ok, point taken. Er zou altijd en overal verontwaardiging en terechtwijzing moeten zijn bij elk racistisch incident. En dat is nu net het punt dat in twee richtingen werkt.

Want betekent dit dat we in het geval van Kompany het racisme moeten “negeren”? Omdat Vincent Kompany een “vedette” is en zichzelf kan verdedigen? Het is en blijft een vreemde redenering.

Hoe vreemd die redenering is, blijkt als we als vrouw deze gedachtegang van Abou Jahjah verplaatsten naar een ander terrein: seksistische uitlatingen, seksuele intimidatie of zelfs geweld tegen vrouwen. Ziehier. Als we de noodkreet van rijke voetballers moeten negeren, moeten we dan seksisme tegen “rijke” of bekende vrouwen eveneens negeren? Moeten we de slachtoffers van Bart De Pauw negeren omdat sommigen van hen actrices (“vedetten”) zijn? Moeten we enkel opstaan als een poetsvrouw gestalkt wordt? Moeten we een seksistische opmerking tegen een vrouwelijke minister of vrouwelijke bedrijfsleider “negeren” omdat het gaat om iemand die zich kan verdedigen? U mag er eens diep over nadenken.

Wat is hier het probleem? Het probleem is dat er een onderscheid gemaakt wordt tussen de ernst van de discriminatie op basis van wie er het slachtoffer van is. Het probleem is dat er discriminatie zou zijn die we niet serieus hoeven te nemen en discriminatie die wel ernstig is. Het komt van “dronken supporters”, minimaliseert Abou Jahjah. Zouden we dat ingeval van seksuele intimidatie ook zeggen als het van bijvoorbeeld “dronken mannen op café” komt? Ook hier mag u eens diep over nadenken.

Nooit racisme dulden

Dat deze minimalisering van Dyab Abou Jahjah komt, mag verbazen. In juni 2014 haalde de toen uit Libanon teruggekeerde Abou Jahjah in de media uit naar N-VA dat volgens hem “een racistische partij” was, “gevaarlijker dan Vlaams Belang” (Het Laatste Nieuws, 8/6/2014). In een gesprek met De Zondag had Abou Jahjah onder meer zijn pijlen op toenmalig minister (vandaag Vlaams parlementsvoorzitter) Liesbeth Homans gericht: “Die vindt racisme een relatief begrip (zucht diep)”. “Het minimaliseren van zoiets toont aan dat je er geen problemen mee hebt”, aldus Abou Jahjah. Hij concludeerde toen: “Minstens één op drie Vlamingen is racist”. Op basis van welke gegevens hij zich daarvoor baseerde, gaf hij niet mee.

“Wat voetbalfans tegen vedetten roepen in voetbalstadions” moet wél onze zorg zijn. Omdat het racisme is. En er geen “goede” en “slechte” slachtoffers zijn. Omdat het racisme is tegen mensen die dit racisme overigens ook al ondergingen toen ze nog geen vedetten waren. Omdat er op dit ogenblik op de terreinen van ons jeugdvoetbal duizenden jongens het beste van zichzelf geven en voor “bruine aap” worden uitgescholden. Omdat wie “bruine aap” roept in een voetbalstadion dat zonder terechtwijzing ook zal doen tegen een buur, een collega of een voorbijganger.

In dit geval kunnen we in plaats van ze als hypocrieten af te doen ons verheugen over al wie zich verontwaardigt over het feit dat Vincent Kompany een “bruine aap” wordt genoemd. Wat je van het professionele voetbal, van het WK in Qatar, van Sporting Anderlecht of van Vincent Kompany zelf ook mag vinden: formuleer inhoudelijke kritiek maar duldt geen racisme en reproduceer het zelf nooit.

In dit geval, het geval waarin Vincent Kompany en zijn staf slachtoffer zijn, zouden we dat moment van terechte verontwaardiging moeten toejuichen en aangrijpen om de structurele aard van het racisme aan te kaarten. Om de relatie aan te kaarten tussen de aanzwellende racistische vrijpostigheid en het feit dat een extreemrechtse partij die leeft van racisme steeds meer als een normaal politiek fenomeen bejegend wordt.

Geen enkele poetsvrouw, jongere in een politiecel of sollicitant op de arbeidsmarkt wordt er sterker van als we het racisme “tegen vedetten die zichzelf kunnen verdedigen” minimaliseren. Want het is datzelfde racisme dat zich dan des te harder tegen de meest kwetsbare mensen in onze samenleving keert.

Afbeelding: Flickr